De Grotten in Bemelen
Bemelen telt vele grotten of eigenlijk beter groeven genaamd aangezien deze door
de mens zijn vervaardigd. Een totaal overzicht van alle aanwezige groeven en hun ligging
zal op een iets later tijdstip gepubliceerd worden. Een paar belangrijke en interessante
groeves zijn hieronder reeds belicht.
Let wel !!, Gezien de instabiliteit van vele van deze groeves is het niet raadzaam
deze zondermeer te onderzoeken (instortingsgevaar). De meeste groeves zijn eigendom van
Stichting Het Limburs Landschap en niet vrij te betreden !!
De Mettenberg.

De Mettenberggroeve zoals ze er nu uitziet
In de Mettenberg bij de Sint Antoniusbank was op het eind
van de 20e eeuw nog steeds een groeveof, zoals in de raadstukken van de
gemeente Cadier en Keer te lezen is, een berghol of berggat als woning in gebruik. Wanneer
men de bosweg inloopt, ziet men aan de linkerzijde de Mettenberg. Deze vroeger onbeboste
helling werd door geiten (metten, vandaag de naam) kaal gehouden. De helling ligt vlak
achter hoeve Beusdael (boerderij Andrien).
Drie generaties van een familie Daemen zouden hier wonen. Gisbert Daemen, zoon van Thomas
en Joanna Maria Haekens, werd geboren in Keer en gedoopt in Cadier op 18 september 1774.
Hij huwde op 39-jarige leeftijd in Cadier met Maria Catherina Eil, een dochter van Joannes
Eil en Wilhelmina Verhoeven. Zij was geboren in het Brabantse Woensle. Gisbert overleed
ruim 72 jaar oud in zijn bergwoning. De arme weduwe Catherina - zij zou, bijna 75 jaar
oud, in 1855 overlijden bleef samen met haar enige nog levende dochter Maria
Catherina (geboren 26 juni 1823) in de berg wonen. Eind 1850 kregen zij gezelschap van
Pieter Janssen, die nog geen vier maanden na het overlijden van zijn eerste vrouw op 30
oktober van dat jaar trouwde met dochter Maria Catherina Daemen.
In de raadsnotulen van Cadier en Keer van 14 juni 1854 lezen we dat Pieter Janssen naast
dat hol op twee stukjes gemeentegrond een tuin en akkertje had aangelegd. Dit was gebeurd
zonder toestemming en betaling van enige vergoeding of pacht aan de gemeente. Nu was
Pieter Janssen , dagloner en blokbreker van beroep, ook nog van plan in de Mettenberg
naast zijn woning een twintigtal zandblokken uit te breken. De raad achtte de tijd gekomen
stappen te ondernemen. Men voorzag echter veel moeilijkheden en kosten om de bewoners te
kunnen verwijderen. De beste oplossing zag men in het aangaan van een overeenkomst met
Janssen. De raad besloot de twee stukjes grond voor een periode van drie jaar te
verpachten voor de som van twee gulden per jaar. Verder mocht Pieter het eerste jaar
"ter zijner voordele" blokken breken (hij moest de berg dan wel op zijn kosten
behoorlijk openen). De twee volgende jaren zouden de blokken voor de gemeente zijn. Het
dagloon voor het uitbreken zou door de gemeente uiteraard betaald worden.

De Mettenberggroeve in bewoonde staat. Vooraan de aangelegde tuintjes
Pieter Janssen, zoon van Jan Janssen en Maria Agnes Ramaekers, werd geboren op 21 april
1803 in Valkenburg. Uit zijn huwelijk met de 20-jaar jongere Maria Catherina kwamen in de
Mettenberg zes kinderen ter wereld, waaronder zoon Johannes Hubertus. Dat een langdurig
verblijf in een bergwoning geen schadelijke gevolgen had voor de gezondheid, bewees ook
dit echtpaar. Pieter bereikte de leeftijd van 78 jaar, zijn vrouw werd bijna 76 jaar oud.
In 1892 trouwde zoon Jhannes Hubertus Janssen met de in Berg en Terblijt wonende Agnes
Willems. Beiden namen hun intrek in de bergwoning. Dit gebeurde weer zonder instemming van
de raad, die opnieuw bevreesd was dat op deze manier de bewoner zich meester zou maken van
eigendommen van de gemeente. Johannes Hubertus Janssen verklaarde zich echter bereid een
kleine pachtsom te betalen en de raad ging akkoord de woning met tuinthe onder bepaalde
voorwaarden voor negen jaren te verpachten voor de jaarlijkse som van drie gulden
(raadsvergadering 31 augustus 1892). Wanneer deze laatste bewoner de grot verliet, is niet
precies bekend, maar waarschijnlijk vertrok Johannes Hubertus kort na het overlijden van
zijn vrouw. Agnes Willems overleed reeds in 1894 in het kraambed, een dag na de bevalling
van een levensloos jongetje, haar eerste kind.
Dankzij onder meer inlichtingen van Harry Mourmans weten we welke groeve in de Mettenberg
als grotwoning heeft gediend (zie plattegrond en afbeeldingen) In het woongedeelte was een
verlaagd plafond, vermoedelijk om zoveel mogelijk te profiteren van de door het open
haardvuur afgegeven warmte. Zowel in de woonkamer als in de "bijkeuken" was in
de buitenwand een glasraam aangebracht. Zo kon tenminste nog enig daglicht tot beide
vertrekken doordringen.

De Plattegrond van de "Grot"-woning
Op de situatietekening is ook de ligging van de Kategrub aangegeven. Volgens vertellingen
van Wiel Mourmans van de Sint Antoniusbank is deze grubbe (dalweg) genoemd naar Kate, de
laatste bewoonster van de grotwoning. Deze woning zou in de twintiger jaren door de
gemeente gesloopt zijn. Zou Kate onze Maria Catherina Damene zijn? Haar moeder was een
Brabantse en Kaat (Kate) is aldaar een verkorting van Catherina. Kate hield zich bezig met
werken van naastenliefde, onder meer het "afleggen" van overledenen.
Toen zij een keer in denachtelijke uren terugkeerde van het Gasthuis, zag zij overal langs haar pad geheimzinnige lichtten. En toen zij ook nog voetstappen hoorde op het verlaten bospad verborg zij zich langs de kant. Zij wachtte angstig af wat er gebeuren ging. Het was een hele opluchting toen zij de naderende man herkende als een betrouwbare inwoner van de Sint Antoniusbank. Deze legde haar uit, dat niet de vuurman aan het werk was, maar dat het licht veroorzaakt werd door rottende boomstronken. Dit verschijnsel ontstaat door inwerking van zuurstof op bepaalde stoffen, hetgeen een soort oxidatie (langzame verbranding) teweegbrengt. De mensen hadden vroeger vaak meer bijgeloof dan kennis van natuurverschijnselen en zochten toch een verklaring voor het geheimzinnige in de natuur.
(Uit Keerder Kroniek, 1e jaargang)
De Cluysberg, Nevencluysberg en Winckelberggroeve.
Ook over de bovengenoemde groeven is reeds e.e.a. bekend. Uiteraard de bewoning van de Cluysberg. (zie Kluizenaars in Bemelen) waaraan deze groeve zijn naam te danken heeft. Maar niet alleen werden de groeven gebruikt voor bewoning, ook de champignonteelt vond er plaats (1939 in de Cluysberg). Bovengenoemde groeven werden gebruikt als schuilplaats tijdens de nodige gevaarlijke periodes die de omgeving van Maastricht heeft gekend. Met name tijdens de diverse belegeringen van Maastricht was Bemelen een legerplaats voor de bezetters die Maastricht omsingelden. De Winckelberg dankt er zelfs zijn naam aan. Winckelhoek = schuilhoek. Tijdens deze periodes vluchtte de lokale bevolking met hun vee de grotten in. Hiervoor moesten natuurlijk de nodige aanpassingen gemaakt worden. Deze sporen zijn momenteel nog duidelijk aanwezig.
Een veestalling is herkenbaar aan diverse elementen zoals voederbakken, halstergaten,
afsluitgaten, ophanggaten, opberggaten, lampnisjes en dergelijke.
Tot een complex van veestallingen behoort ook onder andere een waterput, een broodoven,
slaapnissen en vuurplaatsen.
Voerbakken (stalling 13 Cluysberggroeve)

Halstergaten.

Dit zijn de wienig opvallende constructies die in talrijke gangenstelsels voorkomen, bestaande uit twee gaten (geboord of gekapt) die elkaar raken en de mogelijkheid bieden een touw aan de mergelwand vast te maken. Er zijn diverse types te onderscheiden, afhankelijk van hun vorm, plaats, positie of hoogte.
Het aantal halstergaten per gangenstelsels wisselt sterk. Bijvoorbeeld rond Bemelen : Mettenberg 1, Strooberg 4, Gasthuisdelgroeve 12, Cluysberg ongeveer 50.
Afsluitgaten
De meeste gaten in de zijwanden vallen niet als dusdanig op. Maar hun betekenis in verband
met veestallingen is onmiskenbaar wanneer er zich op de zijwanden een of meerder serie met
elkaar corresponderende gaten (diameter 10 tot 30 centimeter) voordoen. Zij kunnen steun
bieden aan horizontale, onder elkaar gelegen palen, die onderling verbonden kunnen worden
tot een stevige afsluiting. Uit de aard der gaten zijn verschillende constructies
afleidbaar.
Bakovens, waterputten en dergelijke.
Hoewel niet direct onderdelen van veestallingen, behoren bakovens, waterputten,
vuurplaatsen, lampnissen en slaapplaatsen voor mensen tot het complex "schuilingen
voor vee"
Bakovens zijn o.a. ekend van de Mettenberg, de Winckel en Nevencluysberg (hier direct in
de mergel uitgehakt)
Waterputten zijn bekend van o.a. de Nevencluysberg. De laatste bevond zich in de moestuin
van de kluizenaar. Lampnissen in de Winckelberg zijn gekapt, zeer laag en ondiep.
Overzicht stallingen.
In dit overzicht van veestallingen in de Winckel- Cluys- en Nevencluysberg groeven worden opmerkingen gemaakt over de diverse ruimten in deze stelsels die met het nodige voorbehoud- als zodanig hebben gefunctioneerd.
|
![]() |
Cluysberg
Stalling 1 Lijkt geschikt voor een kleine schapenkudde
(afsluitgaten)
Stalling 2 Zeer waarschijnlijk de ruimte waar de mensen zich ophielden. (onder andere op
grond van vuurplaats, talrijke ophanggaten en boorgat series)
Stalling 3 Voor 3 a 5 koeien (voerbakken afsluitbaar?)
Stalling 4 Voor 3 paarden geschikt (4 halstergaten, voerbakken en hooizolder; met nis voor
varkens?)
Stalling 5 Voor 3 a 5 koeien en een paard (voerbakken, halstergaten afsluitbaar)
Stalling 6 Voor minstens 5 koeien en een of twee paarden (voerbak voor paard; afsluitbaar;
lampnissen)
Stalling 7 Voor 1 paard en 1 of 2 koeien
Stalling 8 Voor 6 a 8 koeien
Stalling 9 Voor 4 a 5 koeien. Tevens varkensnis.
Stalling 10 Voor 4 a 6 koeien, 2 paarden en "los vee" afsluitbaar.
Stalling 11 Voor 7 a 10 koeien en kleinvee (?) Mogelijk varkens
Stalling 12 Voor 5 a 7 koeien (voerbak afsluitbaar)
Stalling 13 Voor 3 geiten (?) (Lage voerbak, hooizolder, lampnissen, afsluitbaar)
Stalling 14 Voor 2 a 3 koeien
Stalling 15 Voor 10 koeien (afsluitbaar? Hooizolder? 2 voerbakken)

Winckelberg
Stalling 1 Geschikt voor schapenkudde van ca. 60-100 dieren (afsluitbare slaapnissen ?)
Stalling 2 Voor 7 a 10 koeien en 2 paarden
Stalling 3 Voor 2 a 4 koeien en 2 paarden

Nevencluysgroeve
Stalling Geschikt voor 10 koeien of geiten
Het totale veebestand in de laatste stallingsperiode (hoogstwaarschijnlijk tijdens de verovering van Maastricht in 1795) mag dan ruw geschat worden op maximaal 80 koeien, 12 paarden, een schapenkudde van ca. 100 dieren en een onbekend aantal geiten en varkens, verdeeld over minimaal 20 stallingen. Omdat het complex over twee bakovens (voor brood), vuurplaatsen en een waterput beschikte, is waarschijnlijk voorzien in een schuilperiode van tenminste twee weken.
Het is waarschijnlijk dat ook voor de ze Franse periode bij herhaling gebruik gemaakt is van deze schuilmogelijkheid. Dit geldt echter pas voor de late Middeleeuwen. Aangenomen mag worden dat tijdesn een schuilperiode het totale veebestand met hun eigenaren van de gemeente Bemelen een onderkomen hebben gevonden in de "berg".
(Naar H. Hilligers)